De Geschiedenis van het Bier #2

De Geschiedenis van het Bier #2

Egyptenaren, Grieken, Romeinen en Germanen

 

Na de uitvinding van bier door de Iraniërs maakten de Egyptenaren ook kennis met deze vondst. De oude Egyptenaren in de tijd van de farao’s waren grote liefhebbers van bier. Mensen van alle rangen en standen dronken bier en het was een hoofdbestanddeel van de dagelijkse maaltijd vanwege de voedzaamheid. Een soort alternatief voor het huidige Brinta of Hero fruitontbijt. Het werd ook gebruikt als offergift aan de goden. Na een overlijden plaatsten de Egyptenaren met bier gevulde gistvaten van hout en gips in het graf, om na de dood geen dorst te krijgen. Naast drank voor de levenden en de doden was bier ook een bestandsdeel van een aantal medische recepten.

 

De kennis van het brouwen gaven de Egyptenaren door aan de Grieken. Plato schreef: “Het was een wijs man, die bier uitvond”. In zijn ogen bestond het beste dieet voor Grieken uit brood, vlees, groente en bier. De Romeinen leerden het brouwen weer van de Grieken. Zij noemden bier cerevisia, afgeleid van Ceres, de Romeinse godin van de landbouw, en vis, dat Latijn is voor kracht. In het begin van de Romeinse tijd was bier belangrijk, maar tijdens de Romeinse Republiek verdreef wijn het bier van de eerste plaats als meest geconsumeerde drank. Bier was vooral voor de lagere klassen. Romeinen verspreidden de brouwkunst verder naar het noorden. De Germanen waren de eersten, die de tussenstap van het broodbakken oversloegen en ontdekten dat uit ontkiemde en gedroogde graankorrels ook bier te brouwen is. Zij maakten van graan een beslag en lieten dat vergisten.

 

Beter bier dan water

 

In de Middeleeuwen werd dagelijks bier gedronken door alle klassen van de samenleving in Noord- en Oost- Europa, waar het moeilijk of onmogelijk was om druiven te verbouwen. Hoewel wijn het meest alledaagse drankje in Zuid-Europa was, bleef bier daar zeer populair bij de lagere klassen van de samenleving. In de vroege Middeleeuwen is het brouwen van bier een huishoudelijke bezigheid, voorbehouden aan vrouwen. Naast brood bakken en wassen, brouwen zij voor het gezin een potje bier. Om in hun levensonderhoud te voorzien, brouwen ook kloosterlingen verschillende bieren. In de tijd van Karel de Grote (rond 800) ontstaan grotere brouwerijen om de hoeveelheden bier te maken die nodig zijn voor het hof en voor grotere huishoudens. Naast het thuisbrouwen komt ook het zogenaamde koopbrouwen door ambachtslieden in gebruik. Hop is in die tijd nog niet bekend. Brouwers brengen het bier op smaak met allerlei kruiden, gruit genoemd. Voorbeelden van kruiden in gruit waren rozemarijn, salie, gagel en laurierbessen. De Middeleeuwer is een dorstig type. Met gemak drinkt iedere man, vrouw of kind 300 liter bier per jaar. Ze weten dat je ziek wordt van het water uit sloten en grachten. Alternatieven als koffie, thee of wijn bestaan nog niet of zijn te duur. Bier was veiliger en voedzamer.

 

 

Het bier dat de Middeleeuwer dagelijks dronk leek niet erg op het bier dat we nu tot ons nemen. Het bevatte weinig alcohol en smaakte waarschijnlijk vrij zuur door een trage vergisting. Pas vanaf de late Middeleeuwen, toen men hop ontdekte als additief, ging bier meer lijken op het bier van nu. Door de toevoeging van hop blijft bier langer op smaak en vergaat het minder snel. Het voorkomt besmetting door slechte gisten. Hop geeft een bittere smaak aan het bier maar ook een licht fruitig aroma. Naast dat smaak en houdbaarheid er door het hopgebruik op vooruit gingen, gaat er ook het verhaal dat het psychologisch bij-effect van hopgebruik de monniken destijds wel erg goed uitkwam. Hop is namelijk familie van de cannabis sativa plant en zou voor een rustgevend effect zorgen bij zijn consumenten. Met name de monniken die erg worstelden met hun celibaat plukten de vruchten van dit bij-effect.

 

Volgende week gaan we verder en vertellen we over de ontwikkeling van bier van de late Middeleeuwen tot de Industriële Revolutie tot nu. Geniet je weekend!

 

Op het goede leven!

 

img_4219